Duidelijkheid over het ontslag van Rachida Lamrabet

Door Zuhal Demir op 5 april 2017

Sinds het ontslag van Rachida Lamrabet regent het insinuaties in de pers over mijn rol bij haar vertrek bij Unia. Het past blijkbaar in het kraam van sommigen om mezelf (en met mij de N-VA) af te schilderen als totalitaire bestuurders die geen tegenspraak dulden en tegendraadse ambtenaren zonder scrupules de laan uitwijzen. Laat mij het nog één keer heel duidelijk herhalen: ik heb geen enkele rol in het ontslag van Lamrabet. Ik heb kritiek geleverd op een uitspraak van een Unia-juriste die het kamerbreed gedragen boerkaverbod ‘een verregaande inbreuk op vrijheid en privacy' noemde. Dat is naar mijn mening, kwalijke, vrouwhatende nonsens. En ik zal het blijven herhalen. Ik vind dat mijn plicht als politica, als staatssecretaris maar vooral als vrouw. Verder heb ik duidelijkheid gevraagd van Unia over hun standpunt over het boerkaverbod. Ook dat is mijn plicht wanneer een juriste van die instelling twijfel zaait over de wenselijkheid van zo’n verbod. Unia heeft gereageerd door zich te distantiëren van haar werkneemster. Later werd ze ontslagen. Noch over het ontslag, noch over de motieven van dat ontslag, ben ik zelfs maar geïnformeerd.

Dezelfde mensen die vandaag schande roepen over haar vertrek, riepen enkele weken geleden schande bij mijn kritiek op Unia. Blijkbaar zijn ze van mening dat vrijemening en kritiek leveren een heilig recht is, zolang het maar van één kant komt. Ik onderschrijf dat heilig recht, maar alleen op voorwaarde dat het iedereen gegeven is. Unia is een onafhankelijke instelling. Maar het onafhankelijk statuut van een instelling betekent natuurlijk niet dat het verheven is boven elke kritiek. Wie kritiek geeft, moet kunnen verwachten én aanvaarden dat er ook altijd een antwoord kan volgen. Woord en wederwoord, checks and balances, het zijn dragende principes in onze samenleving. Ik wil een Unia dat ons scherp houdt en onafhankelijk standpunten kan innemen. Maar dat betekent ook dat Unia moet rekening houden dat die standpunten niet altijd gedeeld worden. Zoals het Europees hof van justitie die niet deelde toen het oordeelde dat een hoofddoekenverbod op de werkvloer niet discriminerend is. Een Unia dat vanuit een ivoren toren wikt en beschikt, daar pas ik voor.

Mijn probleem met Unia gaat niet over individuele medewerkers. Wel over het perceptieprobleem van Unia als een instelling die er niet is voor alle burgers. Een probleem dat de instelling zelf erkent na een studie over hun perceptie bij de brede bevolking. Het bij momenten harde debat van de jongste weken mag dan wel afschuw veroorzaakt hebben bij zelfverklaarde weldenkende mensen, het heeft ook resultaat opgeleverd. Na een eerste gesprek met Unia vorige week, vernam ik dat de instelling steeds meer meldingen ontvangt van andere discriminatiegronden dan racisme. Op die manier herstelt de burger zelf het perceptieprobleem van Unia en eisen ze het centrum op als een voorvechter tegen discriminatie voor alle burgers. Als dit de uitkomst is van de heisa, ben ik een tevreden mens.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
The average score is